Op weg zijn

In deze tijd waarin velen proberen er even op uit te trekken komt de gedachte aan ‘op weg zijn’ al gauw op. Op weg zijn is ook een beeld dat past bij het leven van een pelgrim. Anselm Grün schrijft daarover in zijn boek ‘Wijsheid van pelgrims’ het volgende:

De pelgrim is vertrokken. Hij gaat zijn weg. Lopen, gaan, wandelen, zijn in de Bijbel vol symboliek. We hoeven de teksten waarin sprake is van ‘wandelen’ maar op een rijtje te zetten. De Bijbel spreekt erover dat wij moeten ‘wandelen naar de wet’ van de Heer (Exodus 16:4), ‘in Zijn wegen wandelen’ (Deuteronomium 8:6). Gaan, lopen en wandelen horen bij elkaar. Het woord ‘wandelen’ is familie van ‘wentelen’, ‘veranderen’. Wie wandelt, verandert. Wij moeten niet in het duister wandelen, maar in het licht (Jesaja 1:5). Wij moeten ‘ootmoedig wandelen met God’ (Micha 6:8). Paulus schrijft zelfs dat wij ‘in de nieuwheid van het leven wandelen’ (Romeinen 6:4), of ‘wandelen naar de eis van de liefde’ (Romeinen 14:15). Ook spreekt hij ervan dat wij hier op aarde ‘wandelen in geloof, niet in aanschouwen’ (2 Korintiërs 5:7). In al deze teksten wordt ons leven opgevat als een weg die wij moeten gaan. Op deze weg doen wij verschillende ervaringen op. We voelen ons bedreigd. Maar we vertrouwen er ook op dat we onderweg beschermd worden. We kunnen de gevaren van ons leven binnengaan met het psalmvers: ‘Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij: uw stok en uw staf, die vertroosten mij.’ (Psalm 23:4)

Zo gaat een pelgrim zijn weg op.

Adriaan Roskam